Wie nieuwe verlichting zoekt, kijkt vaak naar watt. Maar watt zegt hoeveel stroom een lamp verbruikt, niet hoeveel licht hij geeft. Waar je echt naar kijkt, zijn lumen en lux. Dit artikel legt het uit en geeft richtwaarden en een rekenvoorbeeld.
Lumen, lux en watt
- Lumen (lm) is de totale hoeveelheid licht die een lamp of armatuur uitstraalt.
- Lux (lx) is de hoeveelheid licht die op een oppervlak valt, bijvoorbeeld op je bureau. Eén lux is één lumen per vierkante meter.
- Watt (W) is het vermogen dat de lamp verbruikt. Moderne led geeft vaak ruim 100 lumen per watt, een oude gloeilamp maar zo'n 10 tot 15.
Richtwaarden per ruimte
| Ruimte | Lichtniveau (lux) | Indicatie lumen per m² |
|---|---|---|
| Woonkamer (algemeen) | 100–200 | 200–400 |
| Slaapkamer | 50–150 | 100–300 |
| Keuken (algemeen) | 200–300 | 400–600 |
| Badkamer | 200–300 | 400–600 |
| Gang en hal | ca. 100 | ca. 200 |
| Thuiskantoor | 300–500 | 600–1000 |
| Kantoorwerkplek | 500 | ca. 1000 |
Boven het aanrecht, een bureau of leesstoel komt daar gericht licht bovenop (300–500 lux). De waarden zijn indicatief; de norm voor kantoren staat in goede kantoorverlichting.
Waarom lumen per m² meer is dan lux
Niet al het licht van een armatuur komt op het vlak terecht waar je het nodig hebt: een deel wordt geabsorbeerd door wanden en plafond of blijft in het armatuur. Daarom heb je meer lumen nodig dan de lux-waarde zelf. Als vuistregel deel je het gewenste aantal lux door ongeveer 0,5 (de benuttingsfactor, in de praktijk grofweg 0,4 tot 0,6) om het aantal lumen per vierkante meter te krijgen.
Rekenvoorbeeld: een woonkamer van 25 m²
- Kies een lichtniveau voor de algemene verlichting: 150 lux.
- Deel door de benuttingsfactor: 150 ÷ 0,5 = 300 lumen per m².
- Vermenigvuldig met de oppervlakte: 300 × 25 = 7.500 lumen in totaal.
Dat zijn bijvoorbeeld tien inbouwspots van elk 750 lumen, of een combinatie van plafond-, wand- en staande verlichting. Verdeel het licht liever over meerdere lagen dan alles in plafondspots te stoppen: dat voelt prettiger en geeft minder verblinding.
Wat de uitkomst beïnvloedt
- Kleur van wanden en plafond. Donkere oppervlakken nemen veel licht op, lichte kaatsen het terug.
- Plafondhoogte. Hoe hoger het plafond, hoe meer licht er nodig is om dezelfde lux op het werkvlak te halen.
- Daglicht. Overdag helpt het raam mee, 's avonds niet.
- Type armatuur. Indirect licht, via het plafond of de wand, verliest meer licht dan direct licht.
- Leeftijd van de gebruikers. Oudere ogen hebben meer licht nodig om dezelfde taak even goed te kunnen uitvoeren.
Meer is niet altijd beter
Te veel licht op één plek geeft verblinding en een vlak, harde sfeer. Kies liever iets meer vermogen in totaal, verdeeld over lagen en voorzien van een dimmer, dan één felle bron. Met dimmen pas je het niveau aan op wat je op dat moment doet.
Zeker weten dat het in jouw ruimte klopt? Een lichtberekening simuleert vooraf hoeveel licht er op welke plek komt.